papieren helden

FB

Kom maar grond

ik word bewoond door een vrouw

Hoekig onze ellebogen
hoekig de bloedbaan
ingegroeide plattegrond
hier klonteren omgangsvragen
tot manieren om weer af te leren

De moeder klinkt altijd somber
de moeder klinkt altijd hees

Ik zeg mijn kamers
zijn geen vlees voor zwarte draden
ontspin me
de belofte dat er in elke vrouw een defect
dat ze koffiedik kan kijken
maar breek haar niet uit mijn lijf
we lijken slechts
van steen

Hoe vertraag je je geboorte
wie haalt het scherp uit het kind

Ik ben een verzameling
splinters
een landschap van gaatjes
waar het licht in af kan dalen
verbleekt
wat niet meer in mij hoort
te slapen te wachten tot ontpopping





ik herhaal je

Ik herhaal je, terwijl ik de dag blauw noem, bij gebrek aan je voorbeeld maar in mezelf een moestuin vol verwachting, hier heb je me achtergelaten onbedoeld gelukt in taal, de expressie van je blik, die ik soms herken in Franstalige films maar zo noir als mijn verlaten land heb ik jouw ogen nooit zien spreken, je ogen waren een taal om moeilijk te vergeten – tevergeefs toegedekt met bloemen en een dubbel gekocht armbandje dat ik later verloor, niet zocht uit angst je voor altijd kwijt te zijn, ik herhaal je in blauwe nachten, met de klemtoon op de verkeerde plekken, stiller, een boek met blanco papier op de plaats waar pijn drukt, een kaft slijt ook zonder aanraking, wie spreekt er nog tegen grond, de muziekdoos vals zoals een avondmelodie zich vormt, afstemt op de komst van morgen, denk ik dan aan je of mag ik je herhalen tot een eind





briefgedicht over de schoot

E, waaruit groei jij
noem haar een vrouw
en ze zal je meisje noemen, noem haar
een meisje en ze ziet je in haar buik
laat iemand
je zijn handen lenen, je rechtop zetten
in de onwennige zon
glimlach naar de tengere man, de schoot
vol onrijpe aardbeien. Misschien smaken ze
naar een thuis





kom maar grond

We draaien ons om in bed, woelen onze haren
tot klittenband tot nestjes om verstrikt
in te raken zoals in jouw oksel
waar het ruikt

naar takken eucalyptus. Ik graaf me in
als een konijn, zak steeds dieper tussen je
botten, zo lig ik onder je huid, te zweten
tot we hetzelfde denken, tegelijk spreken

samen spugen op de stoeptegels die ons hoofd
ooit deukten. Nee we zijn
geen greppelkinderen meer
kom maar grond, we hebben zachte lippen
kom maar grond, we hebben lakens genoeg
om ons toe te dekken

Slaapliedjes kennen we niet dus fluisteren
we hoe mooi de dag, laten woorden
tegen het plafond ketsen om ze met open mond
terug op te vangen

Het is te licht om te slapen, te donker
om schaduwen te vangen
van het groepje kinderen achter
het opengeschoven raam
ze beginnen te zingen, handen vragend

als lege kommetjes op de vensterbank
ik herinner me lampionnen, oude winegums
in mijn binnenzak, het zand
dat tussen mijn tanden knarst, kom maar
grond, kom maar grond


Dit is een serie gedichten (met het titelgedicht) uit de debuutbundel Kom maar grond van Lieke Gorter. De bundel verschijnt op 20 oktober 2026 bij De Arbeiderspers.

Pre-order hier

Dit verhaal wordt je gratis aangeboden door papieren helden.

Wil je meer lezen? Word lid en hou dit mooie blad in de lucht.

word lid

Lieke Gorter